donderdag 28 mei 2009

20e Congres Fédération Française de Généalogie

De Fédération Française de Généalogie (FFG) houdt om het jaar een landelijk congres. In deze koepelorganisatie komen zo’n 150 verenigingen samen (met samen 60.000 leden). Dit jaar organiseerde de Cercle Généalogique de la Brie het driedaagse congres en koos als congresplaats Marne-la-Vallée, ten oosten van Parijs, niet ver van EuroDisney.

Genealogie is in Frankrijk net als in ons land een populaire hobby. De persmap die de organisatie heeft uitgegeven noemt een aantal van 5 miljoen Fransen (op ruim 60 miljoen inwoners) die al eens iets aan stamboomonderzoek deden. Zo´n half miljoen Fransen doet regelmatig onderzoek.

Het FFG-congres is een mooie gelegenheid om een beeld te krijgen van de stand van zaken in Frankrijk. Op Hemelvaartsdag rijd ik richting Parijs. In de daaraan voorafgaande dagen heb ik ´s avonds een uurtje Franse televisie gekeken en in Frankrijk aangekomen gaat de autoradio op een Franse zender. De ervaring leert dat je zo wat gemakkelijker in de ´taalsfeer´ komt.

Bij het boeken van mijn hotel had ik beter op moeten letten. Het blijkt op tien kilometer afstand van het congrescentrum te liggen. Niet goed gekeken naar de schaal van de kaart. Later die dag blijkt er een Ibis hotel op steenworp afstand van het congres te zijn.

Het congres wordt gehouden in een technische hogeschool in de deelgemeente Champs-sur-Marne. Het is een futuristisch gebouw dat aan de voorzijde oogt als een vliegende schotel. Aan het eind van de middag wandel ik er binnen. De federatie heeft zijn vergaderingen achter de rug en de standhouders zijn bezig met de inrichting van de kramen. Ik betaal vast voor de congresdeelname op vrijdag: 75 euro. Een pittige prijs voor één dag, dat is toch een drempel. Daarbij moet gezegd dat de congresbundel is inbegrepen. Die wordt later toegezonden. De voorzitter van de organiserende vereniging meldt me dat er 320 betalende congresdeelnemers zijn. Dat is de helft van het aantal dat naar het voorgaande congres kwam (Tours 2007). Men wijt het aan de economische crisis.

Er zijn zo’n 150 kramen , met een gemiddelde bezetting van 3 tot 4 personen per stand. Veel van de mensen die in de stands staan zijn ook te beschouwen als congresgangers. Ze bezoeken tijdens het congres andere stands en een aantal lezingen, om zo op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen. Het totale congresbezoek ligt daarmee rond de 1.000 personen.

Ongeveer de helft van de kramen staat in de lange gang die door de hele school loopt. De meeste kramen staan in de sporthal van de school. Die ligt als een halve zeppelin aan de school gekoppeld. Helemaal in de sfeer van de architectuur van het complex. Een houten frame is bespannen met zeil. Het is daardoor een ruimte met veel licht van buiten. Daar ontmoet ik Christophe Drugy, voorzitter van de werkgroep Racines Franco-Belges . Hij schreef dit voorjaar een mooi artikel over het Centraal Bureau voor Genealogie in de Revue Française de Généalogie, een veel gelezen genealogisch magazine in Frankrijk. België is dit congres ‘pays d’honneur’. Dat zien we terug in het lezingenprogramma en in een aantal stands van Belgische verenigingen en het Algemeen Rijksarchief. Behalve Racines Franco-Belges staat GéniWal uit Wallonië er, met een viertal computers. Deze vereniging is relatief jong, ontstaan om op internet met hulp van vrijwilligers indices en regesten van bronnen te publiceren (www.geniwal.info). Op en rond hun website organiseren ze nog een aantal activiteiten. De databases zijn alleen open voor leden. Niet leden kunnen wel in de index per plaats zoeken op naam. Ook de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde (VVF) heeft er een stand die veel bezoek trok tijdens het congres. Niet alleen zijn er genealogische banden met Frans- Vlaanderen, waar je tot in de twintigste eeuw Vlaams kon horen spreken. Wilfried Devoldere, hoofdredacteur van het VVF-tijdschrift Vlaamse Stam, vertelt me dat Frankrijk in de negentiende eeuw het belangrijkste emigratieland was voor Vlamingen, belangrijker dan de Verenigde Staten.

’s Avonds is er als opwarmer voor het congres een lezing van Jean-Louis Beaucarnot, genealogisch veelschrijver. Twee van zijn boeken liggen ter signering klaar: ‘Wie waren onze voorouders’ en ‘Hoe leefden onze voorouders’. Zijn insteek is: realiseer je dat je voorouders in een heel ander universum leefden dan wij. Hij laat in snel tempo een aantal thema’s langskomen, zoals water, warmte, hygiëne, tijd, geld, snelheid, religie. Probeer het verleden met een open geest, zonder vooroordeel tegemoet te treden is zijn advies aan de genealogen. Romantiseer het leven van je voorouders niet. Een inspirerende lezing die eigenlijk oproept om ruim bronnenonderzoek te doen, niet met oogkleppen op door de bronnen te rennen. Als je bij het doornemen van bronnen teveel focust op je voorouders en hun verwanten dan mis je allerlei informatie die je een beeld kan geven van het universum waarin zij leefden. Daarmee leer je indirect ook je voorouders een beetje kennen.

Vrijdagmorgen bestijg ik om half negen weer de trappen van de technische hogeschool. Het grootste deel van de dag besteed ik aan een rondgang langs de stands. ´s Middags volg ik ook nog wat lezingen van het gevarieerde lezingenprogramma dat het congres biedt.

De grote meerderheid van de standhouders vertegenwoordigt een regionale genealogische vereniging. Je herkent ze aan de wapens en vlaggen. Sommigen zijn in streekdracht gehuld. Er zijn ook streekproducten die je kunt proeven en kopen. De kraam van de organiserende vereniging ruik je al van verre. Daar ligt een grote Brie kaas te geuren waar de ‘congressistes’ van mogen proeven. Veel van de regionale verenigingen hebben hun computerbestanden meegenomen om daaruit informatie te geven.

De Fédération Française de Généalogie heeft een actieve commissie ‘genealogie op school’. Franse scholieren kunnen buiten de vaste lessen kiezen voor bepaalde onderwerpen waarin ze zich willen verdiepen. Een van de mogelijkheden is stamboomonderzoek. Op het congres presenteerden de leerlingen van enkele scholen het resultaat van hun projecten, zoals verslagen, fotocollages en kwartierstaten. Vooral de kwartierstaten hadden een heel persoonlijke vormgeving, waaruit bijvoorbeeld de culturele en geografische herkomst van de familie sprak. Kinderen gebruikten boomblaadjes, Arabische vensters of Afrikaanse djembe’s als kader om een van hun voorouders in te zetten.

De drukte bij de verschillende stands geeft een aardig beeld van waar de belangstelling van de congresbezoekers vooral naar uitging en daarmee ook van de belangrijke trekpleisters van de Franse genealogiebeoefening. Vooral twee computerprogramma’s en enkele websites hadden veel bezoekers bij hun kraam. De twee leidende computerprogramma’s zijn Généatique en Hérédis. Het zijn volwassen programma’s die er grafisch erg goed uitzien. Généatique is wat dat betreft mijn favoriet. Thuis nog eens stoeien met een probeerversie. De beide programma’s hebben enkele extra modules . Géneátique heeft bijvoorbeeld een scrapbook-module, waarmee je leuk versierde familiecollages kunt maken. Heredis heeft onder andere modules ‘familieboek’ en ‘kaarten’ en beidt bovendien de mogelijkheid om de resultaten van je onderzoek vanuit het computerprogramma op de website Planète Généalogie (www.planete-genealogie.fr) te zetten.

GeneaNet is een belangrijke speler op de Franse genealogische markt. We kennen de Nederlandse versie van GeneaNet vooral als een website waarop je je stamboom kunt publiceren. De Franse moedersite biedt ook indices, bronbewerkingen en scans van bronnen. Het is een betaalde site. Je koopt een puntentegoed dat je gebruikt om bepaalde informatie of afbeeldingen te mogen zien. De Franse tak van het Ancestry zag maar weinig bezoekers binnenkomen. In tegenstelling tot de succesvolle Amerikaanse en Engelse takken komt de Franse (net als de Duitse) maar moeilijk van de grond. Dat zal te maken hebben met de ‘concurrerende’ activiteiten van verenigingen en archieven.

Veel verenigingen nemen deel in GénéaBank, een portalsite om te zoeken in verenigingsdatabases. Verenigingen hebben de afgelopen decennia veel akten van de burgerlijke stand en doop-, trouw- en begraafregisters bewerkt en de informatie in databases gestopt. GénéaBank werkt met een ingenieus puntensysteem. Deelnemende verenigingen krijgen op basis van het aantal ingebrachte akten een bepaald jaarlijks puntentegoed. Dat mogen ze verdelen onder hun leden. Die mogen met hun tegoed de databases van andere verenigingen raadplegen. deelnemende verenigingen zijn vrij om hun databases ook elders, bijvoorbeeld bij een commerciële partij, aan te bieden. Het systeem is succesvol . Dit jaar bereikt GénéaBank de 50 miljoen akten. De veertien vrijwilligers van het project brengen samen de 400 euro op die de website jaarlijks kost. Een deel van hen zien we terug bij een FranceGenWeb, een belangrijke portalsite met allerlei informatie over genealogisch onderzoek in Frankrijk. Voor Nederlanders met Franse voorouders een mooi startpunt. De site is wel helemaal in het Frans.

Net als in Nederland zijn Franse archieven volop bronnen aan het scannen, die ze vervolgens op internet plaatsen. Vooral de grote departementale archieven zijn hierin actief, een aantal kleinere blijft wat achter door het ontbreken van voldoende financiële middelen. Archieven beperken zich daarbij vaak tot het plaatsen van de scans op hun website. Verenigingen hebben immers al veel van het indiceerwerk gedaan. Het archief van het departement Seine-et-Marne – waarin de congresplaats ligt - heeft bijvoorbeeld de complete burgerlijke stand (inclusief tienjaarlijkse tafels) en dtb-registers online staan, samen 5,5 miljoen pagina’s.

De Franse genealoog met toegang tot internet kan zijn hart dus ophalen. In het Frans is er voor de internettende genealoog zelfs een speciaal woord: ‘généanaute’, afgeleid van het mooi gevonden woord ‘internaute’. Dat spreekt toch meer tot de verbeelding dan het Nederlandse ‘internetter’.

Aan het eind van de middag stap ik weer in de auto, op weg naar Sint-Niklaas in België, waar de volgende dag het jaarlijkse congres van de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde (VVF) plaatsvindt.

Voor wie het ook een keer wil meemaken: het volgende nationale congres is in 2011 in Roubaix, dicht bij de Belgische grens en goed te bereizen vanuit Nederland. Het is bovendien een regio waar veel Nederlanders voorouders hebben.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen